U vindt hier de volledige Richtlijn Pleziervaartuigen uitgewerkt in een prettig leesbare webtekst. Het betreft de combinatie van 94/25/EG en 2003/44/EG dus de volledige Richtlijn inclusief aanvullingen.
Let op: Wij kunnen niet garanderen dat de webtekst de meest recente versie is, aangezien de Richtlijn aan verandering onderhevig kan zijn. Wij zullen altijd zo snel mogelijk alle wijzigingen doorvoeren.
Bijlage XVII - Uitlaat- en geluidsemissie
BEOORDELING VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE UITLAAT- EN GELUIDSEMISSIES VAN EEN PRODUCTIE
1. Om de overeenstemming van een motorfamilie te controleren, wordt een steekproef uit de serie motoren genomen. De fabrikant beslist, in overeenstemming met de aangemelde instantie, over de omvang (n) van de steekproef.
2. Het rekenkundig gemiddelde X van de steekproefresultaten wordt voor ieder gereglementeerd bestanddeel van de uitlaat-en geluidsemissie berekend. De productie van de serie wordt geacht aan de eisen te voldoen (goedkeuring) als aan de volgende voorwaarde wordt voldaan:
X+k.S ≤ L
S is de standaardafwijking, waarbij:
S2 = ∑ (x-X)2 /(n-1)
X = het rekenkundig gemiddelde van de resultaten
x = de individuele resultaten van de steekproef
L = de geldende grenswaarde
n = het aantal motoren in de steekproef
k = statistische factor die van n afhangt (zie tabel).
| n | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 |
| k | 0,973 | 0,613 | 0,489 | 0,421 | 0,376 | 0,342 | 0,317 | 0,296 | 0,279 |
| n | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 |
| k | 0,265 | 0,253 | 0,242 | 0,233 | 0,224 | 0,216 | 0,21 | 0,203 | 0,198 |
Als n ≥ 20 geldt: k = 0,860/√n''.
Bijlage XVI - Module E
PRODUCTKWALITEITSBORGING (MODULE E)
1. Deze module beschrijft de procedure volgens welke de fabrikant die aan de eisen van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat de betrokken producten in overeenstemming zijn met het type als beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek, en dat zij aan de eisen van de toepasselijke richtlijnen voldoen. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op ieder product de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming
op. De CE-markering gaat vergezeld van het identificatiesymbool van de aangemelde instantie die is belast met het in punt 4 beschreven toezicht.
2. De fabrikant past een goedgekeurd kwaliteitssysteem voor eindproductcontrole en -beproeving toe, als omschreven in punt 3, en is onderworpen aan toezicht, als omschreven in punt 4.
3. Kwaliteitssysteem
3.1. De fabrikant dient voor de betrokken producten bij een aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag tot beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.
Deze aanvraag omvat:
* alle relevante informatie voor de bedoelde categorie producten;
* de documentatie over het kwaliteitssysteem;
* indien van toepassing, de technische documentatie over het goedgekeurde type en een afschrift van de verklaring van EG-typeonderzoek.
3.2. In het kader van het kwaliteitssysteem moet ieder product worden onderzocht en moeten passende proeven overeenkomstig de in artikel 5 bedoelde toepasselijke norm(en) of gelijkwaardige proeven worden uitgevoerd om de overeenstemming van het product met de toepasselijke eisen van deze richtlijn te controleren. Alle door de fabrikant nageleefde beginselen, eisen en bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden aangegeven in een samenstel van schriftelijk vastgelegde maatregelen, procedures en instructies. Deze documentatie over het kwaliteitssysteem moet van dien aard zijn dat de kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -dossiers door iedereen op dezelfde manier worden geïnterpreteerd."
Zij moet in het bijzonder een behoorlijke beschrijving bevatten van:
* de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot de productkwaliteit;
* de onderzoeken en proeven die na de fabricage worden uitgevoerd;
* de middelen om controle uit te oefenen op de effectieve werking van het kwaliteitssysteem;
* kwaliteitsrapporten, zoals controleverslagen, testgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel enz.
3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen.
Zij veronderstelt dat aan die eisen wordt voldaan wanneer het gaat om kwaliteitssystemen waarbij de desbetreffende geharmoniseerde norm wordt toegepast.
Ten minste één lid van het beoordelingsteam moet als beoordelaar ervaring hebben met de betrokken technologie. De beoordelingsprocedure omvat een controlebezoek aan het bedrijf van de fabrikant.
De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.
3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en dit systeem op passende en doeltreffende wijze in stand te houden.
De fabrikant of zijn gemachtigde brengt de aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd op de hoogte van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.
"De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem nog steeds voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen, dan wel of een nieuwe
beoordeling noodzakelijk is."
Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.
4. Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie
4.1. Het toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem."
4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor controledoeleinden toegang tot de controle-, beproevings-en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name:
* de documentatie over het kwaliteitssysteem;
* de technische documentatie;
* de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, testgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel enz.
4.3. De aangemelde instantie verricht periodieke controles om erop toe te zien dat de fabrikant het kwaliteitssysteem handhaaft en toepast en verstrekt de fabrikant een controleverslag.
4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigd bezoeken brengen aan de fabrikant. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig proeven verrichten of laten verrichten om zich van de goede werking van het kwaliteitssysteem te vergewissen. Zij verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, voorzover van toepassing, een testrapport.
5. De fabrikant houdt gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste product de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:
* de in punt 3.1, derde streepje, tweede alinea, bedoelde documentatie;
* de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde aanpassingen;
* de in punt 3.4, laatste alinea, en in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.
6. Iedere aangemelde instantie geeft relevante informatie over de verlening en intrekking van de goedkeuring van het kwaliteitssysteem aan de andere aangemelde instanties door.
Bijlage XV - Verklaring van overeenstemming
SCHRIFTELIJKE VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING
1. De schriftelijke verklaring van overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn vergezelt altijd:
a) het pleziervaartuig of de waterscooter en moet bij de handleiding (bijlage I, deel A, punt 2.5) worden gevoegd;
b) de onderdelen, bedoeld in bijlage II;
c) voortstuwingsmotoren, en moet bij de handleiding (bijlage I, deel B, punt 4) worden gevoegd.
2. De schriftelijke verklaring van overeenstemming bevat de volgende gegevens (*):
a) naam en adres van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde (**);
b) beschrijving van het in punt 1 gedefinieerde product (***);
c) verwijzing naar de toegepaste relevante geharmoniseerde normen of naar de specificaties waarop de verklaring van overeenstemming betrekking heeft;
d) in voorkomend geval, de verwijzingen naar de andere Gemeenschapsrichtlijnen die zijn toegepast;
e) in voorkomend geval, verwijzing naar de door een aangemelde instantie afgegeven verklaring van EG-typeonderzoek;
f) in voorkomend geval, naam en adres van de aangemelde instantie;
g) identiteit van de persoon die bevoegd is namens de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde te tekenen.
3. Voor:
* binnenboordmotoren en hekmotoren zonder geïntegreerde uitlaat,
* motoren met typegoedkeuring volgens Richtlijn 97/68/EG, die aan fase II als bedoeld in punt 4.2.3 van bijlage I van die richtlijn voldoen, en
* motoren met typegoedkeuring volgens Richtlijn 88/77/EEG,
moet de verklaring van overeenstemming behalve de in punt 2 vermelde informatie ook een verklaring van de fabrikant bevatten dat de motor, als deze volgens de instructies van de fabrikant in een pleziervaartuig wordt geïnstalleerd, zal voldoen aan de eisen die deze richtlijn inzake uitlaatemissies stelt en dat de motor niet in gebruik mag worden genomen voordat het betrokken pleziervaartuig, indien zulks vereist is, in overeenstemming met de toepasselijke bepaling van de richtlijn is verklaard.
(*) En is gesteld in de in bijlage I, deel A, punt 2.5, bedoelde taal/talen.
(**) Bedrijfsnaam, volledig adres; in het geval van een gemachtigde worden tevens de bedrijfsnaam en het adres van de fabrikant opgegeven.
(***) Beschrijving van het merk, type en serienummer, indien van toepassing.
Bijlage XIV - Miniumumcriteria Nobo
MINIMUMCRITERIA VOOR DE AANWIJZING VAN DE AAN TE MELDEN INSTANTIES DOOR DE LID-STATEN
1. De instantie, de directeur daarvan en het met de keuring belaste personeel mogen niet de ontwerper, de fabrikant, de leverancier of de installateur van de in artikel 1 genoemde en door
hen te keuren producten zijn, noch de gemachtigde van een der genoemde personen. Zij mogen bij het ontwerpen, de bouw, de verkoop of het onderhoud van deze onderdelen of vaartuigen
noch rechtstreeks noch als gemachtigde optreden. Een eventuele uitwisseling van technische informatie tussen fabrikant en instantie wordt door deze bepaling niet uitgesloten.
1bis. Een aangemelde instantie moet onafhankelijk zijn en de fabrikanten of leveranciers mogen er geen zeggenschap over hebben.
2. De instantie en het personeel dat met de keuringen is belast, dienen de keuring uit te voeren met de grootste mate van beroepsintegriteit en technische bekwaamheid; zij dienen vrij te zijn van elke pressie en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun beoordeling of de uitslagen van hun keuring kan beïnvloeden, inzonderheid van personen of groepen van personen die bij de resultaten van de keuring belang hebben.
3. De instantie dient te beschikken over het nodige personeel en de nodige middelen om de met de uitvoering van de keuringen verbonden technische en administratieve taken naar behoren te vervullen; tevens dient de instantie toegang te hebben tot het nodige materiaal voor bijzondere keuringen.
4. Het personeel dat met de keuringen is belast dient:
- een goede technische en beroepsopleiding te hebben genoten;
- een behoorlijke kennis te bezitten van de voorschriften betreffende de keuringen die het verricht en voldoende ervaring met deze keuringen te hebben;
- de vereiste bekwaamheid te bezitten om op grond van de verrichte keuringen certificaten, processen-verbaal en rapporten op te stellen.
5. De onafhankelijkheid van het personeel dat met de keuringen is belast dient te zijn gewaarborgd. De bezoldiging van de functionarissen mag niet afhangen van het aantal keuringen dat zij verrichten, noch van de uitslag van deze keuringen.
6. De instantie dient een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid te sluiten, tenzij deze wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de Staat wordt gedekt of de keuringen rechtstreeks door de Lid-Staat worden verricht.
7. Het personeel van de instantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van al hetgeen het bij de uitoefening van zijn taak in het kader van de richtlijn of van de bepalingen van intern recht die daaraan uitvoering geven, ter kennis is gekomen (behalve tegenover de ter zake bevoegde overheidsinstanties van de Staat waarin de instantie haar werkzaamheden uitoefent).
Bijlage XIII - Technische documentatie
DOOR DE FABRIKANT GELEVERDE TECHNISCHE DOCUMENTATIE
De in de bijlagen V, VII, VIII, IX, XI en XVI bedoelde technische documentatie moet aangeven welke middelen door de fabrikant zijn gebruikt om te garanderen dat de onderdelen of vaartuigen aan de desbetreffende essentiële eisen voldoen, of alle relevante gegevens terzake bevatten.
De technische documentatie moet inzicht geven in het ontwerp, het fabricageproces en de werking van het product en de mogelijkheid bieden te beoordelen of aan de eisen van de richtlijn is voldaan.
De technische documentatie omvat, voorzover dat voor de beoordeling noodzakelijk is:
a) een algemene beschrijving van het producttype;
b) ontwerp-en fabricagetekeningen, alsook schema's van delen, onderdelen, leidingen enz.;
c) beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van genoemde tekeningen en schema's en van de werking van het product;
d) een lijst van de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen die geheel of gedeeltelijk zijn toegepast en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om aan de essentiële eisen van de richtlijn te voldoen ingeval de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen niet zijn toegepast;
e) uitkomsten van voor het ontwerp uitgevoerde berekeningen, onderzoeken enz.;
f) testrapporten of berekeningen, met name betreffende de stabiliteit volgens punt 3.2 en het drijfvermogen volgens punt 3.3 van de essentiële eisen (bijlage I, deel A);
g) rapporten van de uitlaatemissieproeven waaruit blijkt dat deze voldoen aan punt 2 van de essentiële eisen (bijlage I, deel B);
h) rapporten van de geluidsemissieproeven of referentievaartuiggegevens waaruit blijkt dat deze voldoen aan punt 1 van de essentiële eisen (bijlage I, deel C).”;
Bijlage XII - Module H
VOLLEDIGE KWALITEITSBORGING (module H)
1. In deze module wordt de procedure beschreven in het kader waarvan de fabrikant die aan de eisen van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat de betrokken produkten voldoen aan de eisen van de richtlijn die op die produkten van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op ieder produkt de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV). De CE-markering gaat vergezeld van het identificatienummer van de aangemelde instantie die is belast met het toezicht als omschreven in punt 4.
2. De fabrikant hanteert een goedgekeurd kwaliteitssysteem voor ontwerp, fabricage, eindproduktcontrole en keuring als omschreven in punt 3 en is onderworpen aan het toezicht omschreven in punt 4.
3. Kwaliteitssysteem
3.1. De fabrikant dient bij een aangemelde instantie een aanvraag voor beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.
Deze aanvraag omvat:
- alle relevante informatie voor de bedoelde categorie produkten;
- de documentatie over het kwaliteitssysteem.
3.2. Het kwaliteitssysteem moet waarborgen dat de produkten in overeenstemming zijn met de eisen van de richtlijn die daarop van toepassing zijn.
Alle door de fabrikant gevolgde beginselen, eisen en bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden aangegeven in een documentatie van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen, procedures en instructies. Deze documentatie over het kwaliteitssysteem dient ervoor te zorgen dat de kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -rapporten door iedereen op dezelfde manier worden geïnterpreteerd.
Zij dient met name een behoorlijke beschrijving te bevatten van:
- de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot ontwerp- en produktkwaliteit,
- de technische ontwerp-specificaties, met inbegrip van de normen die worden toegepast en, indien de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen niet volledig worden toegepast, de middelen die zullen worden aangewend om te waarborgen dat wordt voldaan aan de fundamentele eisen van de richtlijn die op de produkten van toepassing zijn,
- de controle- en keuringstechnieken voor het ontwerp, de procédés en systematische maatregelen die zullen worden toegepast bij het ontwerpen van de produkten die onder de bedoelde produktcategorie vallen,
- de daarbij gebruikte fabricage-, kwaliteitscontrole- en kwaliteitsborgingstechnieken en -procédés en de in dat verband systematisch toe te passen maatregelen,
- de onderzoeken en proeven die vóór, tijdens en na de fabricage worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren,
- de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, keuringsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.,
- de middelen om controle uit te oefenen op het bereiken van de vereiste ontwerp- en produktkwaliteit en de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.
3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen. Zij veronderstelt dat aan deze eisen wordt voldaan wanneer het gaat om kwaliteitssystemen waarbij de desbetreffende geharmoniseerde norm (EN 29001) wordt toegepast.
Ten minste één lid van het beoordelingsteam dient, als assessor, ervaring te hebben met het beoordelen van de technologie in kwestie. De beoordelingsprocedure omvat een inspectiebezoek aan de installaties van de fabrikant.
De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.
3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en ervoor te zorgen dat het passend en doeltreffend blijft.
De aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd, wordt door de fabrikant of zijn gemachtigde op de hoogte gebracht van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.
De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem nog steeds voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is.
Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. De kennisgeving bevat de conclusie van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.
4. EG-toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie
4.1. Het toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.
4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor controledoeleinden toegang tot de ontwerp-, fabricage-, controle-, beproevings- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name
- de documentatie over het kwaliteitssysteem;
- de kwaliteitsdossiers die in het kader van het ontwerp-gedeelte van het kwaliteitssysteem moeten worden opgemaakt, zoals resultaten van analyses, berekeningen, keuringen, enz.;
- de kwaliteitsdossiers die in het kader van het fabricagegedeelte van het kwaliteitssysteem moeten worden opgemaakt, zoals controleverslagen, keuringsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.
4.3. De aangemelde instantie verricht periodieke controles om erop toe te zien dat de fabrikant het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast en bezorgt de fabrikant een controleverslag.
4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigd bezoeken brengen aan de fabrikant. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig proeven verrichten of laten verrichten om zich van de goede werking van het kwaliteitssysteem te vergewissen. Zij verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, voor zover van toepassing, een keuringsverslag.
5. De fabrikant houdt gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:
- de in punt 3.1, tweede alinea, tweede streepje, bedoelde documentatie;
- de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde aanpassingen;
- de in punt 3.4, laatste alinea, en in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.
6. Iedere aangemelde instantie stelt de andere aangemelde instanties in kennis van de ter zake dienende informatie over afgifte en intrekking van kwaliteitssysteemgoedkeuringen.
Bijlage XI - Module G
EENHEIDSKEURING (module G)
1. In deze module wordt de procedure beschreven in het kader waarvan de fabrikant garandeert en verklaart dat het betrokken produkt waarvoor het in punt 2 bedoelde certificaat is afgegeven, in overeenstemming is met de eisen van de richtlijn die op die produkten van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op het produkt de CE-markering aan en stelt een verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV).
2. De aangemelde instantie onderzoekt het produkt en voert passende proeven als omschreven in de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde relevante norm(en) of daarmee gelijkstaande proeven uit ten einde de overeenstemming van het produkt met de desbetreffende eisen van deze richtlijn te controleren.
De aangemelde instantie brengt haar identificatienummer op het goedgekeurde produkt aan of laat dit doen; tevens stelt zij ten aanzien van de verrichte proeven een certificaat van overeenstemming op.
3. Op basis van de technische documentatie moet kunnen worden beoordeeld of het produkt in overeenstemming is met de eisen van de richtlijn en moet inzicht kunnen worden verkregen in het ontwerp, het fabricageproces en de werking van het produkt (zie bijlage XIII).
Bijlage X - Module F
PRODUKTKEURING (module F)
1. In deze module wordt de procedure beschreven in het kader waarvan de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde garandeert en verklaart dat de aan de bepalingen van punt 3 onderworpen produkten in overeenstemming zijn met het type beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en voldoen aan de desbetreffende eisen van deze richtlijn.
2. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de produkten in overeenstemming zijn met het type beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en met de eisen van de richtlijn die op die produkten van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op elk produkt de CE-markering aan en stelt een verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV).
3. De aangemelde instantie verricht passende onderzoeken en proeven ten einde via onderzoek en beproeving van ieder afzonderlijk produkt zoals aangegeven in punt 4 dan wel via onderzoek en beproeving op statistische basis, na te gaan of het produkt in overeenstemming is met de eisen van de richtlijn.
3 bis. De fabrikant of zijn gemachtigde bewaart gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt een afschrift van de verklaring van overeenstemming.
4. Keuring door onderzoek en beproeving van ieder afzonderlijk produkt
4.1. Alle produkten worden afzonderlijk onderzocht en er worden passende proeven als omschreven in de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde relevante norm(en) of daarmee gelijkstaande proeven verricht, ten einde na te gaan of zij in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en met de desbetreffende eisen van de richtlijn.
4.2. De aangemelde instantie brengt op ieder goedgekeurd produkt haar identificatienummer aan of laat dit doen; tevens stelt zij ten aanzien van de verrichte proeven een schriftelijk certificaat van overeenstemming op.
4.3. De fabrikant of zijn gemachtigde moet in staat zijn de certificaten van overeenstemming van de aangemelde instantie over te leggen indien daarom wordt verzocht.
5. Statistische keuring
5.1. De fabrikant biedt zijn produkten aan in de vorm van homogene partijen en neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces de homogeniteit van iedere geproduceerde partij waarborgt.
5.2. Alle produkten moeten voor keuring in de vorm van homogene partijen beschikbaar zijn. Van iedere partij wordt een willekeurig monster genomen. De produkten in een monster worden afzonderlijk onderzocht en er worden passende proeven als omschreven in de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde relevante norm(en) of daarmee gelijkstaande proeven uitgevoerd, ten einde de overeenstemming met de desbetreffende eisen van de richtlijn te controleren en te bepalen of de partij wordt goed- dan wel afgekeurd.
5.3. Bij de statistische procedure wordt gebruik gemaakt van de volgende elementen:
- de toe te passen statistische methode,
- het bemonsteringsschema met de karakteristieke werkwijze.
Voor de beoordeling van de overeenstemming met de eisen inzake uitlaatemissies moet de in bijlage XVII beschreven procedure worden toegepast.
5.4. Indien een partij wordt goedgekeurd, brengt de aangemelde instantie op ieder produkt haar identificatienummer aan of laat dit doen; tevens stelt zij ten aanzien van de verrichte proeven een schriftelijke verklaring van overeenstemming op. Alle produkten van de partij mogen in de handel worden gebracht, behalve de produkten van het monster die niet in overeenstemming worden bevonden.
Indien een partij wordt afgekeurd, neemt de bevoegde aangemelde instantie passende maatregelen om te voorkomen dat die partij in de handel wordt gebracht. Ingeval het vaak voorkomt dat partijen worden afgekeurd, kan de aangemelde instantie de statistische keuring staken.
De fabrikant mag onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie tijdens het fabricageproces het identificatienummer van die instantie aanbrengen.
5.5. De fabrikant of zijn gemachtigde moet in staat zijn de certificaten van overeenstemming van de aangemelde instantie over te leggen, indien daarom wordt verzocht.
Bijlage IX - Module D
PRODUKTKWALITEITSBORGING (module D)
1. De fabrikant die aan de eisen van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat de betrokken produkten in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op ieder produkt de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV). De CE-markering gaat vergezeld van het identificatienummer van de aangemelde instantie die is belast met het toezicht als omschreven in punt 4.
2. De fabrikant hanteert een goedgekeurd produktiekwaliteitssysteem, verricht een eindproduktcontrole en proeven met het afgewerkte produkt, als omschreven in punt 3, en is onderworpen aan toezicht, als omschreven in punt 4.
3. Kwaliteitssysteem
3.1. De fabrikant dient voor de betrokken produkten bij een aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag om beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.
Deze aanvraag omvat:
- alle relevante informatie voor de bedoelde categorie produkten;
- de documentatie over het kwaliteitssysteem;
- in voorkomend geval, de technische documentatie over het goedgekeurde type (zie bijlage XIII) en een afschrift van het certificaat van EG-typeonderzoek.
3.2. Het kwaliteitssysteem moet waarborgen dat de produkten in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en met de desbetreffende eisen van de richtlijn.
Alle door de fabrikant gevolgde beginselen, eisen en bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden aangegeven in een documentatie van schriftelijk vastgelegde maatregelen, procedures en instructies. Deze documentatie over het kwaliteitssysteem dient ervoor te zorgen dat de kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -dossiers door iedereen op dezelfde manier worden geïnterpreteerd.
Zij dient met name een behoorlijke beschrijving te bevatten van:
- de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot de produktkwaliteit;
- de fabricageprocessen, de kwaliteitscontrole- en kwaliteitsborgingstechnieken, alsmede de in dat verband systematisch toe te passen technieken en maatregelen;
- de onderzoeken en proeven die vóór, tijdens en na de fabricage worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren;
- de kwaliteitsrapporten, zoals controleverslagen, keuringsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.;
- de middelen om controle uit te oefenen op de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.
3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen. Zij veronderstelt dat aan deze eisen wordt voldaan wanneer het gaat om kwaliteitssystemen waarbij de desbetreffende geharmoniseerde norm wordt toegepast.
Ten minste één lid van het beoordelingsteam dient ervaring te hebben met het beoordelen van de produkttechnologie in kwestie. De beoordelingsprocedure omvat een evaluatiebezoek aan de installaties van de fabrikant.
De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld. De kennisgeving bevat de conclusie van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.
3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en ervoor te zorgen dat het passend en doeltreffend blijft.
De aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd, wordt door de fabrikant of zijn gemachtigde op de hoogte gebracht van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.
De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem nog steeds voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen dan wel of een nieuwe beoordeling is vereist.
Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. De kennisgeving bevat de conclusie van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.
4. Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie
4.1. Het toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.
4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor controledoeleinden toegang tot de controle-, beproevings- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name
- de documentatie over het kwaliteitssysteem,
- de kwaliteitsrapporten, zoals controleverslagen, keuringsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.
4.3. De aangemelde instantie verricht periodieke controles om erop toe te zien dat de fabrikant het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast en bezorgt de fabrikant een controleverslag.
4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken brengen aan de fabrikant. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig proeven verrichten of laten verrichten om zich van de goede werking van het kwaliteitssysteem te vergewissen; zij verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, voor zover van toepassing, een keuringsverslag.
5. De fabrikant houdt gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:
- de in punt 3.1, tweede alinea, tweede streepje, bedoelde documentatie;
- de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde aanpassingen;
- de in punt 3.4, laatste alinea, en in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.
6. Iedere aangemelde instantie stelt de andere aangemelde instanties in kennis van de ter zake dienende informatie over afgifte en intrekking van kwaliteitssysteemgoedkeuringen.
Bijlage VIII - Module C
OVEREENSTEMMING MET HET TYPE (module C)
1. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde garandeert en verklaart dat de betrokken produkten in overeenstemming zijn met het type beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en voldoen aan de eisen van deze richtlijn die op die produkten van toepassing zijn. De fabrikant brengt op ieder produkt de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV).
2. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de vervaardigde produkten in overeenstemming zijn met het type beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en met de desbetreffende eisen van deze richtlijn.
3. Gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt bewaart de fabrikant of zijn gemachtigde een afschrift van de verklaring van overeenstemming.
4. Een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie kan, wanneer de fabrikant niet volgens een toepasselijk kwaliteitssysteem als beschreven in bijlage XII werkt, met willekeurige tussenpozen productcontroles verrichten of laten verrichten om te beoordelen of het product in overeenstemming is met de eisen die deze richtlijn inzake uitlaatemissies stelt. Als het kwaliteitsniveau onvoldoende blijkt te zijn of als het nodig lijkt de juistheid van de door de fabrikant opgegeven gegevens te controleren, wordt de volgende procedure gevolgd:
Uit de serie wordt een motor genomen waarop de in bijlage I, deel B, beschreven proef wordt uitgevoerd. Testmotoren moeten geheel of gedeeltelijk zijn ingelopen, volgens de specificaties van de fabrikant. Als de specifieke uitlaatemissies van de uit de serie genomen motor hoger zijn dan de in bijlage I, deel B, vermelde grenswaarden, kan de fabrikant verzoeken metingen uit te voeren op een steekproef van motoren uit de serie, met inbegrip van de oorspronkelijk uit de serie genomen motor. Om na te gaan of de bovengenoemde steekproef van motoren voldoet aan de eisen van de richtlijn wordt de in bijlage XVII beschreven statistische methode gebruikt.
Indien noch de fabrikant noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, is de persoon die met het in de handel brengen van het produkt in de Gemeenschap is belast, degene die de technische documentatie ter beschikking moet houden (zie bijlage XIII).
Bijlage VII - Module B
EG-TYPEONDERZOEK (module B)
1. Een aangemelde instantie stelt vast en verklaart dat een representatief exemplaar van de betrokken produktie voldoet aan de desbetreffende bepalingen van de richtlijn.
2. De aanvraag om een EG-typeonderzoek wordt door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde ingediend bij een aangemelde instantie van zijn keuze.
De aanvraag omvat:
- naam en adres van de fabrikant, alsmede naam en adres van de gemachtigde indien de aanvraag door laatstgenoemde wordt ingediend;
- een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag is ingediend bij een andere aangemelde instantie;
- de technische documentatie als omschreven in punt 3.
De aanvrager stelt een voor de betrokken produktie representatief exemplaar, dat hierna "type" (*) wordt genoemd, ter beschikking van de aangemelde instantie. De aangemelde instantie kan om meer exemplaren verzoeken indien dit nodig is voor het keuringsprogramma.
3. Op basis van de technische documentatie moet beoordeeld kunnen worden of het produkt in overeenstemming is met de eisen van de richtlijn. Voor zover dat voor deze beoordeling nodig is, dient de technische documentatie inzicht te verschaffen in het ontwerp, het fabricageproces en de werking van het produkt (zie bijlage XIII).
4. De aangemelde instantie
4.1. bestudeert de technische documentatie, controleert of het type in overeenstemming daarmee vervaardigd is en identificeert de onderdelen die ontworpen zijn overeenkomstig de relevante bepalingen van de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen, alsook de onderdelen die zijn ontworpen zonder dat de desbetreffende bepalingen van die normen in acht werden genomen;
4.2. verricht of geeft opdracht tot het verrichten van de passende controles en de noodzakelijke proeven om na te gaan of de door de fabrikant gekozen oplossingen aan de essentiële eisen van de richtlijn voldoen, ingeval de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen niet zijn toegepast;
4.3. verricht of geeft opdracht tot het verrichten van de passende controles en de noodzakelijke proeven om, ingeval de fabrikant heeft besloten de desbetreffende normen toe te passen, na te gaan of deze ook werkelijk zijn toegepast;
4.4. stelt in overleg met de aanvrager de plaats vast waar de noodzakelijke controles en proeven zullen worden uitgevoerd.
5. Indien het type voldoet aan de bepalingen van de richtlijn, verstrekt de aangemelde instantie een certificaat van EG-typeonderzoek aan de aanvrager. Het certificaat bevat naam en adres van de fabrikant, de conclusies van de controle, de voorwaarden voor de geldigheid van het certificaat en de noodzakelijke gegevens voor de identificatie van het goedgekeurde type.
Een lijst van de belangrijke onderdelen van de technische documentatie wordt als bijlage bij het certificaat gevoegd en een afschrift daarvan wordt door de aangemelde instantie bewaard.
Indien aan de fabrikant een typecertificaat wordt geweigerd, dan geeft de aangemelde instantie de gedetailleerde redenen voor deze weigering op.
6. De aangemelde instantie die in het bezit is van de technische documentatie betreffende het certificaat van EG-typeonderzoek, wordt door de aanvrager in kennis gesteld van alle in het goedgekeurde produkt aangebrachte wijzigingen; voor de betrokken wijzigingen moet aanvullende goedkeuring worden verleend indien zij van invloed kunnen zijn op de overeenstemming met de essentiële eisen of de voor het produkt voorgeschreven gebruiksomstandigheden. Deze aanvullende goedkeuring wordt gegeven in de vorm van een aanvulling op het oorspronkelijke certificaat van EG-typeonderzoek.
7. Iedere aangemelde instantie deelt aan de andere aangemelde instanties een overzicht mee van de verstrekte en ingetrokken certificaten van EG-typeonderzoek en bijbehorende aanvullingen.
8. De overige aangemelde instanties kunnen afschriften van de certificaten van EG-typeonderzoek en/of de aanvullingen krijgen. De bijlagen bij de certificaten worden ter beschikking van de overige aangemelde instanties gehouden.
9. Gedurende ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt bewaart de fabrikant of zijn gemachtigde naast de technische documentatie ook een afschrift van het certificaat van EG-typeonderzoek en van de aanvullingen daarop.
Indien noch de fabrikant noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, is de persoon die met het in de handel brengen van het produkt in de Gemeenschap is belast, degene die de technische documentatie ter beschikking moet houden.
(*) Een type kan verscheidene produktvarianten omvatten voor zover de verschillen tussen de varianten geen invloed hebben op het veiligheidsniveau en de andere eisen inzake deugdelijkheid van het produkt.
Bijlage VI - Module Aa
INTERNE FABRICAGECONTROLE PLUS PROEVEN (module A bis, optie 1)
Deze module komt overeen met module A, bedoeld in bijlage V, aangevuld met de volgende bepalingen:
A. Ontwerp en bouw
Door de fabrikant of voor zijn rekening worden op een of meer vaartuigen die representatief zijn voor de productie van de fabrikant een of meer van de volgende proeven, daarmee gelijkstaande berekeningen of controles uitgevoerd:
a) stabiliteitsproef volgens punt 3.2 van de essentiële eisen (bijlage I, deel A);
b) beproeving van het drijfvermogen volgens punt 3.3 van de essentiële eisen (bijlage I, deel A).
Gemeenschappelijke bepalingen:
Voor beide geldt, dat de proeven, berekeningen of controles moeten worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie.
B. Geluidsemissies
Pleziervaartuigen met binnenboordmotor of met hekmotor zonder geïntegreerde uitlaat en waterscooters:
De in bijlage I, deel C, gespecificeerde geluidsemissieproeven moeten door de vaartuigfabrikant of voor zijn rekening, onder verantwoordelijkheid van een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie, worden uitgevoerd op een of meer vaartuigen die representatief zijn voor de productie van de vaartuigfabrikant.
Buitenboordmotoren en hekmotoren met geïntegreerde uitlaat:
De in bijlage I, deel C, gespecificeerde geluidsemissieproeven moeten door de motorfabrikant of voor zijn rekening, onder verantwoordelijkheid van een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie, worden uitgevoerd op een of meer motoren van iedere motorfamilie die representatief is voor de productie van de motorfabrikant.
Als meer dan een motor van een motorfamilie wordt getest, moet de in bijlage XVII beschreven statistische methode worden toegepast om de conformiteit van de steekproef te waarborgen.
Bijlage V - Module A
INTERNE FABRICAGECONTROLE (module A)
1. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde die voldoet aan de in punt 2 genoemde verplichtingen, garandeert en verklaart dat de betrokken apparaten voldoen aan de eisen van de richtlijn die daarop van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op ieder produkt de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op.
2. De fabrikant stelt de in punt 3 beschreven technische documentatie samen; de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde houdt deze gedurende ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt voor controledoeleinden ter beschikking van de bevoegde nationale instanties.
Indien noch de fabrikant noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, is de persoon die met het in de handel brengen van het apparaat in de Gemeenschap is belast, degene die de technische documentatie ter beschikking moet houden.
3. Op basis van de technische documentatie moet kunnen worden beoordeeld of het apparaat in overeenstemming is met de eisen van de richtlijn. Voor zover dat voor deze beoordeling nodig is, dient de technische documentatie tevens inzicht te verschaffen in het ontwerp, het fabricageproces en de werking van het produkt (zie bijlage XIII).
4. De fabrikant of zijn gemachtigde bewaart samen met de technische documentatie een afschrift van de verklaring van overeenstemming.
5. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de vervaardigde produkten in overeenstemming zijn met de in punt 2 bedoelde technische documentatie en met de eisen van de richtlijn die op die produkten van toepassing zijn.
Bijlage IV CE markering
CE-MARKERING
De CE-markering van overeenstemming bestaat uit de letters CE in de volgende grafische vorm:
Bij verkleining of vergroting van de markering moeten de verhoudingen van bovenstaande gegradueerde afbeelding in acht worden genomen.
De onderscheiden onderdelen van de CE-markering moeten nagenoeg dezelfde hoogte hebben, die minimaal 5 mm bedraagt.
De CE-markering wordt gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie, indien deze een rol speelt in de fase van de produktiecontrole.
Bijlage III Verklaring van de fabrikant
VERKLARING VAN DE FABRIKANT OF VAN ZIJN IN DE GEMEENSCHAP GEVESTIGDE GEMACHTIGDE OF VAN DE PERSOON DIE VERANTWOORDELIJK IS VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
(artikel 4, leden 2 en 3)
a) De in artikel 4, lid 2 (gedeeltelijk afgebouwde vaartuigen), bedoelde verklaring van de fabrikant, van zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde of van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen, behelst de volgende gegevens:
- naam en adres van de fabrikant;
- naam en adres van de in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde van de fabrikant of, in voorkomend geval, van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen;
- een beschrijving van de gedeeltelijk afgebouwde boot;
- een verklaring dat de gedeeltelijk afgebouwde boot bestemd is om door anderen te worden afgebouwd en dat hij voldoet aan de essentiële eisen die in dit constructiestadium van toepassing zijn.
b) De in artikel 4, lid 3 (losse en gemonteerde onderdelen), bedoelde verklaring van de fabrikant, van zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde of van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen, behelst de volgende gegevens:
- naam en adres van de fabrikant;
- naam en adres van de in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde van de fabrikant of, in voorkomend geval, van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen;
- een beschrijving van de losse en gemonteerde onderdelen;
- een verklaring dat de losse of gemonteerde onderdelen voldoen aan de desbetreffende essentiële eisen.
Bijlage II Onderdelen
ONDERDELEN
1. Vonkafschermingsvoorzieningen voor binnenboordmotoren en buitenboordmotoren ("sterndrive").
2. Beveiliging tegen starten in ingeschakelde toestand voor buitenboordmotoren.
3. Stuurwielen, stuurmechanismen en bekabeling.
4. Brandstoftanks bestemd voor vaste montage, en brandstofslangen.
5. Gefabriceerde luiken en patrijspoorten.
Bijlage I-C Eisen voor geluidsemissie
C. Essentiële eisen voor geluidsemissies
Pleziervaartuigen met binnenboordmotor of met hekmotor onder geïntegreerde uitlaat, waterscooters en buitenboordmotoren en hekmotoren met geïntegreerde uitlaat moeten aan de volgende essentiële eisen voor geluidsemissies voldoen.
1. Geluidsemissiewaarden
1.1. Pleziervaartuigen met binnenboordmotor of met hekmotor zonder geïntegreerde uitlaat, waterscooters en buitenboordmotoren en hekmotoren met geïntegreerde uitlaat moeten zo worden ontworpen, gebouwd en gemonteerd dat de geluidsemissies, gemeten door middel van proeven die zijn gedefinieerd in de geharmoniseerde norm (**), de grenswaarden in de volgende tabel niet overschrijden:
| Motorvermogen (éénmotorig) | Maximaal geluidsdrukniveau =LρΑSmax | |||||
| (in kW) | (in dB) | |||||
| PN ≤ 10 | 67 | |||||
| 10 < PN ≤ 40 | 72 | |||||
| PN > 40 | 75 | |||||
waarin PN = nominaal vermogen van de motor in kW bij nominaal toerental en LpASmax = maximaal geluidsdrukniveau in dB.
Voor tweemotorige installaties en voor meermotorige eenheden van alle motortypes mag de grenswaarde met 3 dB worden verhoogd.
1.2. Als alternatief voor geluidsmetingen worden pleziervaartuigen met een binnenboordmotor of met een hekmotor met of zonder geïntegreerde uitlaat geacht in overeenstemming
met deze geluidseisen te zijn indien hun getal van Froude = 1,1 en hun verhouding vermogen/waterverplaatsing = 40 bedraagt en de motor en het uitlaatsysteem gemonteerd zijn overeenkomstig de specificaties van de fabrikant.
1.3. Het „getal van Froude” wordt berekend door de maximumsnelheid van het schip V (m/s) te delen door de vierkantswortel van de waterlijnlengte lwl (m) vermenigvuldigd
met een gegeven zwaartekrachtconstante (g = 9,8 m/s2)
Fn = V / √(g * Lwl)
De „verhouding vermogen/waterverplaatsing” wordt berekend door het motorvermogen
P (kW) te delen door de waterverplaatsing van de boot D (t) = D (t) = P/D
1.4. Als ander alternatief voor geluidsmetingen worden pleziervaartuigen met een binnenboordmotor of met een hekmotor zonder geïntegreerde uitlaat geacht in overeenstemming met deze geluidseisen te zijn indien hun belangrijkste ontwerpkenmerken overeenkomen of binnen de in de geharmoniseerde norm vastgelegde toleranties vergelijkbaar zijn met die van een gecertificeerd referentievaartuig.
1.5. Onder „gecertificeerd referentievaartuig” wordt verstaan een specifieke combinatie van een romp en een binnenboordmotor of een hekmotor zonder geïntegreerde uitlaat die in overeenstemming met de geluidseisen is bevonden volgens metingen overeenkomstig punt 1.1 en waarvan alle relevante ontwerp-kenmerken en de metingen van het geluidsniveau vervolgens zijn opgenomen in de gepubliceerde lijst van gecertificeerde referentievaartuigen.
2. Handleiding
De in bijlage I, deel A, punt 2.5, bedoelde handleiding voor pleziervaartuigen met binnenboordmotor of met hekmotor met of zonder geïntegreerde uitlaat en waterscooters moet de noodzakelijke informatie bevatten om het vaartuig en de uitlaatinrichting in zodanige conditie te houden dat, voorzover praktisch mogelijk, de gespecificeerde geluidsgrenswaarden bij normaal gebruik niet worden overschreden.
De in bijlage I, deel B, punt 4, bedoelde handleiding voor buitenboordmotoren moet de noodzakelijke instructies bevatten om de buitenboordmotor in zodanige conditie te houden dat, voorzover praktisch mogelijk, de gespecificeerde geluidsgrenswaarden bij normaal gebruik niet worden overschreden.
(*) EN ISO 8178-1: 1996.
(**) EN ISO 14509.
Bijlage I-B UItlaatemissie motoren
B. Essentiële eisen voor de uitlaatemissies van voortstuwingsmotoren
Voortstuwingsmotoren moeten aan de volgende essentiële eisen voor uitlaatemissies voldoen.
1. Identificatie van de motor
1.1. Op iedere motor moet de volgende informatie duidelijk zijn vermeld:
* handelsmerk of handelsnaam van de fabrikant;
* motortype en, indien van toepassing, motorfamilie;
* een uniek identificatienummer;
* CE-markering, indien vereist volgens artikel 10.
1.2. Deze merktekens moeten voldoende duurzaam zijn voor de normale levensduur van de motor en zij moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn. Als een etiket of plaatje wordt gebruikt, moet dit voldoende duurzaam voor de normale levensduur van de motor worden bevestigd en mogen de etiketten of plaatjes niet verwijderd kunnen worden zonder dat ze vernietigd of beschadigd worden.
1.3. De merktekens moeten worden aangebracht op een onderdeel van de motor dat voor de normale werking nodig is en normaliter tijdens de levensduur van de motor niet wordt vervangen.
1.4. De merktekens moeten op een zodanige plaats worden aangebracht dat zij voor de gemiddelde persoon gemakkelijk leesbaar zijn wanneer de motor en alle voor de werking noodzakelijke onderdelen zijn gemonteerd.
2. Eisen voor uitlaatemissies
Voortstuwingsmotoren moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd en samengesteld dat de emissies bij een juiste installatie en bij normaal gebruik niet meer bedragen dan de grenswaarden in de volgende tabel:
| (ln g/kWh) | ||||||||
| Type | Koolmonoxide | Koolwatrstoffen | Stikstof- | |||||
| CO=A+B/PnN | HC=A+B/PnN | oxiden | Deeltjes | |||||
| A | B | n | A | B | n | NO2 | PΤ | |
| Tweetakt elektrische ontsteking |
150,0 | 600,0 | 1,0 | 30,0 | 100,0 | 0,75 | 10,0 | niet van toepassing |
| Viertakt elektrische ontsteking |
150,0 | 600,0 | 1,0 | 6,0 | 50,0 | 0,75 | 15,0 | niet van toepassing |
| Compressieontsteking | 5,0 | 0,0 | 0,0 | 1,5 | 2,0 | 0,5 | 9,8 | 1,0 |
waarin A, B en n constanten zijn overeenkomstig de tabel, PN het nominale vermogen in kW is en de uitlaatemissies worden gemeten volgens de geharmoniseerde norm (*).
Voor motoren met een vermogen van meer dan 130 kW mag de belastingscyclus E3 (IMO) of E5 (pleziervaartuigen) worden gebruikt.
Bij de emissieproeven moeten voor benzine-en dieselmotoren de in Richtlijn 98/69/EG (bijlage IX, tabellen 1 en 2) en voor LPG-motoren de in Richtlijn 98/77/EG gespecificeerde referentiebrandstoffen worden gebruikt.
3. Duurzaamheid
Indien de door de fabrikant van de motor te verstrekken installatie-en onderhoudsinstructies worden gevolgd, moet de motor bij normaal gebruik en onder normale gebruiksomstandigheden gedurende de normale levensduur aan de bovenstaande vermelde grenswaarden blijven voldoen.
De fabrikant moet deze informatie verkrijgen door van tevoren duurzaamheidsproeven op basis van een normale werking uit te voeren en de vermoeidheid van de onderdelen te berekenen, zodat hij de nodige onderhoudsinstructies kan opstellen en die kan verstrekken bij alle nieuwe motoren die voor het eerst in de handel worden gebracht.
Onder normale levensduur van motoren wordt verstaan:
a) voor binnenboordmotoren en voor hekmotoren met of zonder geïntegreerde uitlaat: 480 uur of tien jaar, indien dit eerder het geval is;
b) voor waterscootermotoren: 350 uur of vijf jaar, indien dit eerder het geval is;
c) voor buitenboordmotoren: 350 uur of tien jaar, indien dit eerder het geval is.
4. Handleiding
Elke motor moet voorzien zijn van een handleiding in de taal of talen van de Gemeenschap die de lidstaat waarin de motor in de handel wordt gebracht, kan bepalen. De volgende gegevens zijn in deze handleiding vermeld:
a) installatie-en onderhoudsinstructies die nodig zijn voor een goede werking van de motor teneinde aan de eisen van punt 3 (duurzaamheid) te voldoen;
b) het vermogen van de motor, gemeten volgens de geharmoniseerde norm.
Bijlage I-A - Essentiële eisen ontwerp en constructie
A. Essentiële veiligheidseisen voor het ontwerpen en bouwen van vaartuigen”.
1. CATEGORIEËN VAARTUIGONTWERPEN
| Ontwerpcategorie | Windkracht | Karakteristieke golfhoogte | ||||||
| (schaal van baufort) | (H 1/3; meter) | |||||||
| A. | Oceaan | > 8 | > 4 | |||||
| B. | Zee | ≤ 8 | ≤ 4 | |||||
| C. | Kust | ≤ 6 | ≤ 2 | |||||
| D. | Beschut | ≤ 4 | ≤ 0,3 | |||||
Definities:
A. Oceaan: Ontworpen voor lange reizen, waarbij de windkracht meer dan 8 (schaal van Beaufort) en de karakteristieke golfhoogte meer dan 4 m kunnen bedragen, maar waarbij zich geen abnormale omstandigheden voordoen, met dien verstande dat de vaartuigen grotendeels zelfstandig opereren.
B. Zee: Ontworpen voor zeereizen bij een mogelijke windkracht tot en met 8 en een mogelijke karakteristieke golfhoogte tot en met 4 m.
C. Kust: Ontworpen voor de vaart in kustwateren, grote baaien, riviermondingen, meren en rivieren bij een mogelijke windkracht tot en met 6 en een mogelijke karakteristieke golfhoogte tot en met 2 m.
D. Beschut: Ontworpen voor de vaart in beschutte wateren onder de kust, in kleine baaien, op kleine meren, rivieren en kanalen bij ten hoogste windkracht 4 en een significante golfhoogte van maximaal 0,3 m, die incidenteel, bijvoorbeeld ten gevolge van passerende vaartuigen, maximaal 0,5 m kan bedragen.
De vaartuigen van elke categorie moeten zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat zij met betrekking tot de stabiliteit, het drijfvermogen en de andere in bijlage I genoemde essentiële veiligheidseisen bestand zijn tegen deze parameters, en goed bestuurbaar zijn.
2. ALGEMENE EISEN
De in artikel 1, lid 1, onder a), bedoelde producten moeten aan de essentiële eisen beantwoorden voorzover die daarop van toepassing zijn.
2.1. Identificatie van het vaartuig
Op ieder vaartuig moet een identificatienummer zijn aangebracht dat de volgende gegevens omvat:
- fabriekscode,
- land van fabricage,
- individueel serienummer,
- jaar van produktie,
- modeljaar.
In de betreffende geharmoniseerde normen worden deze eisen nader gepreciseerd.
2.2. Plaatje van de bouwer
Op ieder vaartuig moet behalve het rompidentificatienummer nog een afzonderlijk, permanent bevestigd plaatje worden aangebracht met de volgende gegevens:
- naam van de fabrikant,
- CE-markering (zie bijlage IV),
- categorie bootontwerp overeenkomstig punt 1,
* door de fabrikant aanbevolen maximale belasting, afgeleid volgens punt 3.6, waarbij het gewicht van de inhoud van de vaste brandstof-en watertanks wanneer zij vol zijn niet wordt
meegerekend.
- door de fabrikant aanbevolen aantal personen aan boord tijdens het varen, waarop de boot berekend is.
2.3 Beveiliging tegen overboord vallen en voorzieningen om weer aan boord te kunnen komen
Afhankelijk van de ontwerpcategorie dient het vaartuig zo ontworpen te zijn dat het risico van overboord vallen zo klein mogelijk is en men gemakkelijk weer aan boord kan komen.
2.4. Zicht vanaf de hoofdstuurstand
Op motorboten moet de stuurman vanuit de hoofdstuurstand, onder normale gebruiksomstandigheden (snelheid en belasting), rondom een goed zicht hebben.
2.5 Handleiding
Elk vaartuig moet voorzien zijn van een handleiding in de overeenkomstig het Verdrag door de Lid-Staat waar het in de handel gebracht wordt bepaalde officiële taal (talen) van de Gemeenschap. Deze handleiding moet met name de aandacht vestigen op risico's van brand en van het volstromen met water en de in de punten 2.2, 3.6 en 4 genoemde informatie bevatten, alsmede het leeggewicht vermelden van het vaartuig, uitgedrukt in kilogram.
3. EISEN TEN AANZIEN VAN INTEGRITEIT EN CONSTRUCTIE
3.1. Structuur
De keuze en combinatie van materialen en de constructie moeten garanderen dat het vaartuig in alle opzichten sterk genoeg is. Er wordt in het bijzonder gelet op de ontwerpcategorie van punt 1 en de door de fabrikant aanbevolen maximale belasting bedoeld in punt 3.6.
3.2 Stabiliteit en vrijboord
Het vaartuig moet, rekening houdend met de ontwerpcategorie van punt 1 en met de door de fabrikant aanbevolen maximale belasting bedoeld in punt 3.6, voldoende stabiliteit en vrijboord hebben.
3.3. Drijfvermogen en reserve-drijfvermogen
De constructie van het vaartuig moet zodanig zijn dat het drijfvermogen is afgestemd op de ontwerpcategorie van punt 1 en de door de fabrikant aanbevolen maximale belasting bedoeld in punt 3.6. Alle van leefruimte voorziene meerrompsvaartuigen dienen zodanig te worden ontworpen dat zij over voldoende drijfvermogen beschikken om in omgeslagen stand te blijven drijven.
Vaartuigen van minder dan 6 m moeten voorzien zijn van een passend reserve-drijfvermogen om het overeenkomstig zijn ontwerpcategorie gebruikte vaartuig in volgelopen toestand drijvende te houden.
3.4. Openingen in romp, dek en bovenbouw
Openingen in romp, dek(ken) en bovenbouw mogen in gesloten stand geen afbreuk doen aan de structurele integriteit en de weer-en-windbestendigheid van het vaartuig.
Ramen, patrijspoorten, deuren en luikafdekkingen moeten bestand zijn tegen de waterdruk die op de plaats waar zij zich bevinden te verwachten valt, alsmede tegen de puntbelastingen die door het gewicht van zich aan dek bevindende personen wordt uitgeoefend.
Voor de inwaartse of uitwaartse doorvoer van water door de romp heen bestemde huiddoorvoeren die zich bevinden onder de waterlijn die correspondeert met de door de fabrikant aanbevolen maximale belasting als bedoeld in punt 3.6, dienen te zijn uitgerust met gemakkelijk toegankelijke afsluiters.
3.5. Vollopen
Alle vaartuigen moeten zo ontworpen zijn dat de kans op zinken zo gering mogelijk is.
Daarbij dient bijzondere aandacht te worden besteed aan:
- kuipen en bunnen, die zelflozend moeten zijn of voorzien moeten zijn van andere middelen om het water uit het inwendige van de boot te houden,
- ventilatievoorzieningen,
- het verwijderen van water met doeltreffende pompen of andere middelen.
3.6. Door de fabrikant aanbevolen maximale belasting
De door de fabrikant aanbevolen maximale belasting (brandstof, water, proviand, diverse uitrusting en personen) (uitgedrukt in kilogram) waarvoor de boot ontworpen is wordt vastgesteld al naar gelang van de ontwerpcategorie (punt 1), de stabiliteit en het vrijboord (punt 3.2), alsmede het drijfvermogen en het reserve-drijfvermogen (punt 3.3).
3.7. Bergplaats voor reddingsvlot
Alle vaartuigen van de ontwerpcategorieën A en B, alsmede de vaartuigen van de ontwerpcategorieën C en D die een romplengte hebben van meer dan 6 m, dienen te beschikken over een of meer bergplaatsen voor een reddingsvlot dat of reddingsvlotten die groot genoeg is of zijn voor het aantal personen waarvoor het vaartuig bestemd is. Deze bergplaats(en) moet(en) te allen tijde gemakkelijk toegankelijk zijn.
3.8. Ontsnappingsweg
Alle van leefruimte voorziene meerrompsvaartuigen van meer dan 12 m lang moeten voorzien zijn van in geval van omslaan bruikbare ontsnappingswegen.
Alle van leefruimte voorziene vaartuigen moeten voorzien zijn van in geval van brand bruikbare ontsnappingswegen.
3.9. Ankeren, afmeren en slepen
Alle vaartuigen moeten, rekening houdend met de ontwerpcategorie waartoe zij behoren en hun kenmerken, zijn uitgerust met een of meer versterkte aangrijpingspunten of andere middelen om de krachten die optreden bij ankeren, afmeren en slepen veilig te doorstaan.
4. STUUREIGENSCHAPPEN
De fabrikant draagt er zorg voor dat de stuureigenschappen van het vaartuig bevredigend zijn bij gebruik van de krachtigste motor waarvoor de boot ontworpen en gebouwd is. Voor alle motoren van pleziervaartuigen dient het maximumvermogen overeenkomstig de geharmoniseerde norm in de handleiding te worden aangegeven.
5. EISEN MET BETREKKING TOT DE INRICHTING
5.1. Motor en motorruimte
5.1.1. Binnenboordmotor
Alle binnenboordmotoren moeten in een gesloten en van de leefruimte afgescheiden compartiment zijn geplaatst en zodanig geïnstalleerd zijn dat het gevaar van brand of uitbreiding van brand en de gevaren van giftige rook, warmte, lawaai of trillingen in de leefruimte tot een minimum beperkt blijven. Onderdelen en accessoires van de motor die frequente controle en onderhoudsbeurten nodig hebben, moeten gemakkelijk toegankelijk zijn.
De isolatiematerialen in de motorruimtes moeten onbrandbaar zijn.
5.1.2. Ventilatie
De motorruimte moet geventileerd zijn. Bij alle ventilatieopeningen moet instroming van water in de motorruimte voorkomen worden.
5.1.3. Niet-ingesloten delen
Bewegende of hete delen van de motor die persoonlijk letsel kunnen veroorzaken, moeten doeltreffend worden afgeschermd, tenzij de motor zich onder een kap of binnen de eigen omhulling bevindt.
5.1.4. Starten van buitenboordmotoren
Alle vaartuigen met buitenboordmotoren moeten een inrichting hebben die het starten van de motor in ingeschakelde toestand verhindert, behalve
a) wanneer de motor een statische stuwkracht van minder dan 500 N levert,
b) wanneer de motor voorzien is van een blokkeerinrichting van de gashendel die de statische stuwkracht op het moment van het starten van de motor beperkt tot 500 N.
5.1.5. Waterscooters zonder bestuurder
Waterscooters moeten uitgerust zijn met een inrichting die de motor automatisch uitschakelt of een inrichting die de scooter automatisch met beperkte snelheid in een cirkel voorwaarts
laat bewegen wanneer de bestuurder afstapt of in het water valt.
5.2. Brandstofsysteem
5.2.1. Algemeen
De voorzieningen en installaties voor het vullen, de opslag, de ontluchting en de toevoer van brandstof moeten zo zijn ontworpen en aangebracht dat het brand- en explosiegevaar tot een minimum beperkt wordt.
5.2.2. Brandstoftanks
De brandstoftanks, -buizen en -slangen moeten worden vastgemaakt en worden gescheiden van of beschermd tegen iedere bron die veel warmte produceert. Het materiaal waaruit de tanks bestaan en de constructie ervan moeten zijn afgestemd op hun capaciteit en het soort brandstof. Alle ruimten waarin tanks staan opgesteld moeten geventileerd worden.
Benzine moet worden bewaard in tanks die geen deel uitmaken van de romp, en die
a) van de motorkamer en van iedere andere ontvlammingsbron afgescheiden zijn;
b) van de leefruimte afgescheiden zijn;
Diesel mag worden bewaard in tanks die een integrerend deel van de romp vormen.
5.3. Elektrisch systeem
De elektrische systemen moeten zo zijn ontworpen en geïnstalleerd dat een goede bediening van het vaartuig onder normale bedrijfsomstandigheden gegarandeerd is en dat het gevaar voor brand en elektrische schokken tot een minimum wordt beperkt.
Alle door accu's gevoede stroomkringen moeten tegen overbelasting en kortsluiting worden beveiligd, uitgezonderd de stroomkringen voor het starten van de motor.
Er moet voor ventilatie worden gezorgd, ten einde de opeenhoping van eventuele door accu's geproduceerde gassen te voorkomen. De accu's moeten stevig bevestigd en tegen inkomend water beschermd worden.
5.4. Besturingssysteem
5.4.1. Algemeen
Het ontwerp, de constructie en de installatie van de besturingssystemen moeten zodanig zijn dat stuurbelastingen onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden hiermee overgebracht kunnen worden.
5.4.2. Noodvoorzieningen
Zeilboten en met één binnenboordmotor uitgeruste motorboten waarvan het roer op afstand bediend wordt, moeten uitgerust zijn met een noodvoorziening waarmee het vaartuig bij beperkte snelheid kan worden bestuurd.
5.5. Gassysteem
Gassystemen voor huishoudelijk gebruik moeten van het type met dampafvoer zijn en zo zijn ontworpen en geïnstalleerd dat gaslekken en ontploffingsgevaar vermeden worden en zij moeten op gaslekken getest kunnen worden. Materialen en onderdelen moeten geschikt zijn voor het gebruikte soort gas en bestand zijn tegen de belastingen en invloeden waaraan zij op het water blootstaan.
Ieder toestel moet zijn uitgerust met een beveiliging die bij wegvallen van de vlam de gastoevoer naar alle branders afsluit. Ieder gassysteem moet het gas toegevoerd krijgen via een afzonderlijke leiding van het distributiesysteem en ieder toestel moet voorzien zijn van een afzonderlijke afsluiter. Er moet voor voldoende ventilatie worden gezorgd om te voorkomen dat men wordt blootgesteld aan de gevaren die zijn verbonden aan gaslekken en verbrandingsprodukten.
Ieder vaartuig met een vast gassysteem moet uitgerust zijn met een compartiment voor de opslag van alle gasflessen. Dit compartiment moet afgesloten zijn van de leefruimte, uitsluitend van buitenaf toegankelijk zijn en naar buiten toe geventileerd, zodat vrijkomend gas naar buiten toe kan wegstromen. Elk vast gassysteem moet na installatie getest worden.
5.6. Brandbeveiliging
5.6.1. Algemeen
Bij de uitrusting en de indeling van het vaartuig moet rekening gehouden worden met het gevaar voor ontstaan en uitbreiding van brand. Er moet speciaal gelet worden op de omgeving van apparaten met een open vlam, hete zones en motoren en hulpapparaten, overlooppijpen van olie en brandstof en onbedekte olie- en brandstofbuizen. Vermeden moet worden dat boven hete zones van machines elektrische bedrading wordt aangebracht.
5.6.2. Brandblusapparatuur
Het vaartuig dient geleverd te worden met op het brandgevaar afgestemde brandblusapparatuur, of met aanwijzingen voor de plaatsing en de capaciteit van op het brandgevaar
afgestemde brandblusapparatuur. Het vaartuig mag pas in gebruik worden genomen wanneer de juiste brandblusapparatuur geïnstalleerd is. De motorruimten van benzinemotoren moeten beschermd worden met een blussysteem dat in geval van brand gebruikt kan worden zonder dat de ruimte geopend behoeft te worden. Indien er draagbare brandblussers zijn aangebracht, moeten zij gemakkelijk toegankelijk zijn en één daarvan moet zo zijn geplaatst dat hij gemakkelijk bereikbaar is vanaf de hoofdstuurstand van het vaartuig.
5.7. Navigatielichten
Wanneer navigatielichten worden aangebracht moeten deze voldoen aan de voorschriften van de Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee van 1972 en latere wijzigingen daarop, of aan de CEVNI-voorschriften.
5.8. Voorkoming van lozing en inrichtingen die het aan land afgeven van afval vergemakkelijken
Vaartuigen moeten zo gebouwd zijn dat verontreinigende stoffen (olie, brandstof enz.) niet per ongeluk overboord kunnen raken.
Vaartuigen waarin toiletten zijn aangebracht, dienen te beschikken over
a) reservoirs of,
b) voorzieningen om reservoirs aan te brengen.
Vaartuigen waarin reservoirs vast zijn aangebracht, worden uitgerust met een standaardverbindingsstuk om de buizen van de ontvangstinrichting te kunnen aansluiten op de
afvoerleiding van het vaartuig.
Bovendien moeten door de romp aangelegde afvoerbuizen voorzien zijn van kleppen die in de gesloten stand kunnen worden geborgd.
Hoofdstuk IV Slotbepalingen
Slotbepalingen
Artikel 11
Ieder krachtens deze richtlijn genomen besluit dat ertoe leidt dat het in de handel brengen en/of het in bedrijf stellen van in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten wordt beperkt, moet naar behoren worden gemotiveerd. De betrokken partij wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van het besluit, alsmede van de rechtsmiddelen die haar volgens de wetgeving van de betrokken Lid-Staat ter beschikking staan en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen moeten worden aangewend.
Artikel 12
De Commissie neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de gegevens over alle ter zake dienende besluiten met betrekking tot het beheer van deze richtlijn ter beschikking komen.
Artikel 13
1. De Lid-Staten dragen zorg voor aanneming en bekendmaking van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om uiterlijk op 16 december 1995 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
De Lid-Staten passen deze bepalingen toe vanaf 16 juni 1996.
Het in artikel 6, lid 3, bedoelde Permanent Comité kan onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze richtlijn in functie treden. De Lid-Staten kunnen vanaf die datum de in artikel 9 bedoelde maatregelen nemen.
Wanneer de Lid-Staten de in de eerste alinea bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.
2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mede van de bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
3. De Lid-Staten staan, gedurende een tijdvak van vier jaar na de aanneming van deze richtlijn, het in de handel brengen en in bedrijf stellen toe van de in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten die voldoen aan de voorschriften die op die datum op hun grondgebied van kracht zijn.
Artikel 14
Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 15
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
Gedaan te Brussel, 16 juni 1994.
Voor het Europees Parlement
Hoofdstuk III CE markering
CE-markering
Artikel 10
1. Op de volgende producten moet bij het in de handel brengen de CE-markering van overeenstemming zijn aangebracht:
a) pleziervaartuigen, waterscooters en onderdelen als bedoeld in bijlage II, die worden geacht te voldoen aan de in bijlage I genoemde essentiële eisen;
b) buitenboordmotoren die worden geacht te voldoen aan de in bijlage I, delen B en C, genoemde essentiële eisen;
c) hekmotoren met geïntegreerde uitlaat die worden geacht te voldoen aan de in bijlage I, delen B en C, genoemde essentiële eisen.
2. De CE-markering van overeenstemming als weergegeven in bijlage IV, moet zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar zijn aangebracht op het vaartuig en de waterscooter overeenkomstig bijlage I, deel A, punt 2.2, op onderdelen als bedoeld in bijlage II en/of op de verpakking ervan, en op buitenboordmotoren en hekmotoren met geïntegreerde uitlaat overeenkomstig bijlage I, deel B, punt 1.1.
De CE-markering moet vergezeld gaan van het identificatienummer van de instantie die verantwoordelijk is voor de toepassing van de in de bijlagen IX, X, XI, XII en XVI bedoelde procedures.
3. Het is verboden op onder deze richtlijn vallende producten merktekens of opschriften aan te brengen die derden kunnen misleiden omtrent de betekenis of de grafische vorm van de CE-markering. Andere merktekens mogen op onder deze richtlijn vallende producten en/of op de verpakking ervan worden aangebracht, op voorwaarde dat daardoor de zichtbaarheid en de leesbaarheid van de CE-markering niet worden verminderd.”;
4. Onverminderd artikel 7:
a) is de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, wanneer een Lidstaat vaststelt dat de CE-markering onrechtmatig is aangebracht, verplicht onder de door deze Lidstaat gestelde voorwaarden een eind te maken aan de inbreuk;
b) moet de Lidstaat, wanneer de inbreuk voortduurt, alle dienstige maatregelen treffen om het in de handel brengen van het betrokken produkt te beperken of te verbieden, dan wel om ervoor te zorgen dat het uit de handel wordt genomen volgens de procedure van artikel 7.
Hoofdstuk II Overeenstemmingsbeoordeling
Overeenstemmingsbeoordeling
Artikel 8
1. Voor het in de handel brengen en/of in gebruik nemen van de in artikel 1, lid 1, bedoelde producten volgt de vaartuigfabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde de in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde procedures. Indien bij een beoordeling na de bouw van pleziervaartuigen noch de fabrikant noch zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde de verantwoordelijkheid voor de overeenstemming van het product met deze richtlijn op zich neemt, kan dat worden gedaan door een in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die het product onder eigen naam in de handel brengt en/of in gebruik neemt. In dat geval moet de persoon die het product in de handel brengt en/of in gebruik neemt, bij een aangemelde instantie een aanvraag indienen voor een rapport na de bouw. De persoon die het product in de handel brengt en/of in gebruik neemt, moet de aangemelde instantie alle beschikbare documenten en technische dossiers verstrekken die betrekking hebben op het voor het eerst in de handel brengen van het product in het land van oorsprong. De aangemelde instantie onderzoekt het afzonderlijke product en voert berekeningen en andere vormen van beoordeling uit om ervoor te zorgen dat het voldoet aan de toepasselijke bepalingen van de richtlijn. In dit geval moeten op het in bijlage I, deel A, punt 2.2, genoemde plaatje van de bouwer de woorden „certificering na de bouw” worden vermeld. De aangemelde instantie stelt ten aanzien van de verrichte beoordeling een rapport van overeenstemming op en deelt de persoon die het product in de handel brengt en/of in gebruik neemt mede welke verplichtingen op hem rusten. Deze persoon stelt een verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV) en brengt de CE-markering met het identificatienummer van de betrokken aangemelde instantie op het product aan, of laat dat doen.
2. Voor ontwerp en bouw van de in artikel 1, lid 1, onder a), bedoelde producten volgt de vaartuigfabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde de volgende procedures voor de categorieën vaartuigontwerpen A, B, C en D als bedoeld in bijlage I, deel A, punt 1:
a) voor de categorieën A en B:
i) voor vaartuigen met een romplengte van 2,5 tot 12 m: de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis), bedoeld in bijlage VI, of het EG-typeonderzoek (module B), bedoeld in bijlage VII, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C), bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D, of B + E, of B + F, of G of H;
ii) voor vaartuigen met een romplengte van 12 tot 24 m: het EG-typeonderzoek (module B), bedoeld in bijlage VII, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C), bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D, of B + E, of B + F, of G of H;
b) voor categorie C:
i) voor vaartuigen met een romplengte van 2,5 tot 12 m:
* indien conform de geharmoniseerde normen betreffende de punten 3.2 en 3.3 van bijlage I, deel A: de interne fabricagecontrole (module A), bedoeld in bijlage V, of de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis), bedoeld in bijlage VI, of het EG-typeonderzoek (module B), bedoeld in bijlage VII, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C), bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D, of B + E, of B + F, of G of H;
* indien niet conform de geharmoniseerde normen betreffende de punten 3.2 en 3.3 van bijlage I, deel A: de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis), bedoeld in bijlage VI, of het EG-typeonderzoek (module B), bedoeld in bijlage
VII, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C), bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D, of B + E, of B + F, of G of H;
ii) voor vaartuigen met een romplengte van 12 tot 24 m: het EG-typeonderzoek (module B), bedoeld in bijlage VII, gevolgd door de procedure van overeenstemming met het type (module C), bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules:
B + D, of B + E, of B + F, of G of H;
c) voor categorie D:
voor vaartuigen met een romplengte van 2,5 tot 24 m: de interne fabricagecontrole (module A), bedoeld in bijlage V, of de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis), bedoeld in bijlage VI, of het EG-typeonderzoek (module B), bedoeld in bijlage VII, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C), bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules:B +D, of B + E, ofB + F,of G of H;
d) voor waterscooters:
de interne fabricagecontrole (module A), bedoeld in bijlage V, of de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis), bedoeld in bijlage VI, of het EG-typeonderzoek (module B), bedoeld in bijlage VII, gevolgd door de procedure van overeenstemming met het type (module C), bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules:B +D, of B + E, ofB + F,of G of H;
e) voor onderdelen als bedoeld in bijlage II: een van de volgende modules: B + C, of B + D, of B + F, of G of H.
3. Met betrekking tot uitlaatemissies:
volgt de motorfabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde voor in artikel 1, lid 1, onder b), bedoelde producten de procedure van het in bijlage VII bedoelde EG-typeonderzoek (module B), gevolgd door de in bijlage VIII bedoelde procedure van overeenstemming met het type (module C), dan wel een van de volgende modules: B + D, of B + E, of B + F, of G of H.
4. Met betrekking tot geluidsemissies:
a) volgt de vaartuigfabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde voor in artikel 1, lid 1, onder c), punten i) en ii), bedoelde producten de volgende procedures:
i) indien proeven worden uitgevoerd met gebruikmaking van de geharmoniseerde norm (*) voor geluidsmeting: interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis), bedoeld in bijlage VI, of eenheidskeuring (module G), bedoeld in bijlage XI, of volledige kwaliteitsborging (module H), bedoeld in bijlage XII;
ii) indien de methode op basis van het getal van Froude en de verhouding vermogen/waterverplaatsing worden gebruikt: interne fabricagecontrole (module A), bedoeld in bijlage V, interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis), bedoeld in bijlage VI, of eenheidskeuring (module G), bedoeld in bijlage XI, of volledige kwaliteitsborging (module H), bedoeld in bijlage XII;
iii) indien voor de beoordeling in overeenstemming met punt i) gecertificeerde referentievaartuiggegevens worden gebruikt: interne fabricagecontrole (module A), bedoeld in bijlage V, of interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis), bedoeld in bijlage VI, of eenheidskeuring (module G), bedoeld in bijlage XI, of volledige kwaliteitsborging (module H), bedoeld in bijlage XII;
b) volgt de fabrikant van waterscooters/motoren of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde voor de in artikel 1, lid 1, onder c), punten iii) en iv), bedoelde producten de volgende procedures: interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis), bedoeld in bijlage VI, of module G of H.
(*) EN ISO 14509.”;
1. De Commissie maakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen een lijst van de aangemelde instanties bekend, met hun identificatienummer en de taken waarvoor zij aangemeld zijn. Zij zorgt voor de bijwerking van deze lijst.
2. De Lid-Staten passen de criteria van bijlage XIV toe bij de beoordeling van de aan te melden instanties. Instanties die voldoen aan de beoordelingscriteria van de betreffende geharmoniseerde normen worden geacht aan die criteria te voldoen.
3. Een Lid-Staat trekt zijn erkenning van de instantie in, indien hij vaststelt dat die instantie niet meer aan de criteria van bijlage XIV voldoet. Hij stelt de Commissie en de overige Lid-Staten daarvan onmiddellijk in kennis.
Hoofdstuk I Toepassingsgebied en definities
- Gegevens
- Hoofdcategorie: Artikelen
b) wat uitlaatemissies betreft, op:
i) voortstuwingsmotoren die gemonteerd of specifiek bestemd zijn voor montage op of in pleziervaartuigen en waterscooters;
ii) op of in deze vaartuigen gemonteerde voortstuwingsmotoren die een „ingrijpende wijziging” ondergaan;
c) wat geluidsemissies betreft, op:
i) pleziervaartuigen met hekmotoren zonder geïntegreerde uitlaat of binnenboordmotoren;
ii) pleziervaartuigen met hekmotoren zonder geïntegreerde uitlaat of binnenboordmotoren, die een ingrijpende verbouwing ondergaan en vervolgens in de Gemeenschap in de handel worden gebracht binnen vijf jaar na de verbouwing;
iii) waterscooters, en
iv) buitenboordmotoren en hekmotoren met geïntegreerde uitlaat, bestemd voor montage op pleziervaartuigen;
d) voor producten die onder a), punt ii), en onder b) en c) vallen, geldt het bepaalde in deze richtlijn pas vanaf het ogenblik waarop deze voor het eerst in de handel gebracht en/of in gebruik genomen worden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
2. Buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen:
a) wat lid 1, onder a), betreft:
i) vaartuigen die uitsluitend voor wedstrijden bedoeld zijn en die als zodanig door de fabrikant bestempeld zijn, met inbegrip van wedstrijdroeiboten en trainingsroeiboten;
ii) kano's en kajaks, gondels en waterfietsen;
iii) zeilplanken;
iv) surfplanken, met inbegrip van surfplanken met motor;
v) originelen en individuele replica's van vóór 1950 ontworpen historische vaartuigen, die hoofdzakelijk met de oorspronkelijke materialen zijn gebouwd en als zodanig door de fabrikant zijn bestempeld;
vi) experimentele vaartuigen, voorzover zij vervolgens niet in de Gemeenschap in de handel worden gebracht;
vii) voor persoonlijk gebruik gebouwde vaartuigen, voorzover zij vervolgens gedurende een periode van vijf jaar niet op de communautaire markt worden gebracht;
viii) onverminderd lid 3, onder a), vaartuigen die speciaal bestemd zijn om te worden bemand en passagiers te vervoeren voor commerciële doeleinden, met name vaartuigen als omschreven in Richtlijn 82/714/EEG van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (*), ongeacht het aantal passagiers;
ix) duikboten;
x) luchtkussenvoertuigen;
xi) draagvleugelboten;
xii) met stoomkracht aangedreven vaartuigen met externe verbranding die als brandstof gebruikmaken van kolen, cokes, hout, olie of gas;
(*) PB L 301 van 28.10.1982, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.”.
b) wat lid 1, onder b), betreft:
i) voortstuwingsmotoren, gemonteerd of specifiek bestemd voor montage, op:
* vaartuigen die uitsluitend voor wedstrijden bedoeld zijn en als zodanig door de fabrikant bestempeld zijn;
* experimentele vaartuigen, voorzover zij vervolgens niet in de Gemeenschap in de handel worden gebracht;
* onverminderd lid 3, onder a), vaartuigen die specifiek bestemd zijn om te worden bemand en passagiers te vervoeren voor commerciële doeleinden, met name vaartuigen als omschreven in Richtlijn 82/714/EEG, ongeacht het aantal passagiers;
* duikboten;
* luchtkussenvoertuigen;
* draagvleugelboten;
ii) originelen en individuele replica's van historische voortstuwingsmotoren die op een ontwerp van vóór 1950 gebaseerd zijn, niet in serie geproduceerd en gemonteerd worden op de in lid 2, onder a), punten v) en vii), bedoelde vaartuigen;
iii) voor persoonlijk gebruik gebouwde voortstuwingsmotoren, mits zij vervolgens gedurende vijf jaar niet in de Gemeenschap in de handel worden gebracht;
c) wat lid 1, onder c), betreft:
* alle onder b) van dit lid genoemde vaartuigen;
* voor persoonlijk gebruik gebouwde vaartuigen, mits zij vervolgens gedurende vijf jaar niet in de Gemeenschap in de handel worden gebracht.
3. In het kader van deze richtlijn gelden de volgende definities:
a) „pleziervaartuig”: voor sport-en vrijetijdsdoeleinden bedoeld vaartuig, ongeacht het type of de wijze van voortstuwing, met een romplengte van 2,5 tot 24 m, gemeten volgens de geharmoniseerde norm. Het feit dat hetzelfde vaartuig kan worden gebruikt voor verhuur of voor pleziervaartcursussen belet niet dat het onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt, wanneer het voor recreatiedoeleinden in de Gemeenschap in de handel wordt gebracht;
b) „waterscooter”: vaartuig met een lengte van minder dan 4 m met een motor met inwendige verbranding, primair aangedreven door een waterstraalpomp en ontworpen om door een of meer personen zittend, staand of knielend op en niet in de romp te worden bediend;
c) „voortstuwingsmotor”: voor voortstuwing gebruikte inwendigeverbrandingsmotor met vonkontsteking of compressieontsteking, met inbegrip van tweetakt-en viertaktbinnenboordmotoren, hekmotoren met of zonder geïntegreerde uitlaat en buitenboordmotoren;
d) „ingrijpende wijziging van de motor”: wijziging van een motor waardoor
* de motor de in bijlage I deel B,genoemde emissiegrenswaarden zou kunnen veranderen met uitzondering van de routinematige vervanging van motoronderdelen die de emissiekenmerken niet veranderen; of
* het nominale vermogen van de motor met meer dan 15 % toeneemt;
e) „ingrijpende verbouwing van een vaartuig”: verbouwing van een vaartuig waarbij
* de wijze van voortstuwing van het vaartuig wordt veranderd;
* sprake is van een ingrijpende wijziging van de motor;
* het vaartuig zozeer wordt veranderd dat het als een nieuw vaartuig wordt beschouwd;
f) „wijze van voortstuwing”: mechanische methode waarmee het vaartuig wordt voortgestuwd, in het bijzonder scheepsschroeven of mechanische voortstuwingssystemen met waterstraal;
g) „motorfamilie”: door de fabrikant bepaalde klasse van motoren waarvan op grond van hun ontwerp wordt verwacht dat zij qua uitlaatemissies identieke kenmerken hebben, en die aan de voorschriften voor uitlaatemissies in deze richtlijn voldoen;
h) „fabrikant”: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onder deze richtlijn vallend product ontwerpt en vervaardigt, of die een dergelijk product laat ontwerpen en/of vervaardigen met de bedoeling het onder zijn eigen naam in de handel te brengen;
i) „gemachtigde”: in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon met een schriftelijke volmacht van de fabrikant om namens deze op te treden wat diens uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen betreft.
Artikel 2
In de handel brengen en in bedrijf stellen
1. De Lid-Staten treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten alleen in de handel gebracht en in bedrijf gesteld worden voor het bestemde doel, als zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van personen, eigendommen of het milieu, wanneer zij correct zijn gebouwd en worden onderhouden.
2. Deze richtlijn staat er niet aan in de weg dat de Lid-Staten, met inachtneming van het Verdrag, bepalingen vaststellen betreffende de vaart op bepaalde wateren met het oog op bescherming van het milieu en van het net van waterwegen en ter bevordering van de veiligheid op die waterwegen, mits deze bepalingen geen wijzigingen vereisen in de vaartuigen die aan de eisen van deze richtlijn voldoen.
Artikel 3
Essentiële eisen
De in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten moeten voldoen aan de in bijlage I bepaalde essentiële eisen inzake veiligheid, gezondheid, milieu- en consumentenbescherming.
Artikel 4
Vrij verkeer van de in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten
1. De lidstaten mogen het in de handel brengen en/of in gebruik nemen op hun grondgebied van de in artikel 1, lid 1, bedoelde producten die voorzien zijn van de in bijlage IV bedoelde CE-markering, waarmee wordt aangegeven dat zij in overeenstemming zijn met alle bepalingen van deze richtlijn, met inbegrip van de in hoofdstuk II genoemde overeenstemmingsbeoordelingsprocedures, niet verbieden, beperken of belemmeren.
2. De lidstaten mogen het in de handel brengen van gedeeltelijk afgebouwde vaartuigen niet verbieden, beperken of belemmeren, wanneer de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, dan wel de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen, in overeenstemming met bijlage III, onder a), verklaart dat het vaartuig bestemd is om door anderen te worden afgebouwd.
3. De lidstaten mogen het in de handel brengen en/of in gebruik nemen van de in bijlage II bedoelde onderdelen, voorzien van de in bijlage IV bedoelde CE-markering, waarmee wordt aangegeven dat zij voldoen aan de desbetreffende essentiële eisen, niet verbieden, beperken of belemmeren, wanneer deze onderdelen vergezeld gaan van een in bijlage XV bedoelde schriftelijke verklaring van overeenstemming en bestemd zijn om in pleziervaartuigen gemonteerd te worden, blijkens een verklaring als bedoeld in bijlage III, onder b), van de fabrikant, van zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, dan wel, in geval van invoer uit een derde land, van degene die het onderdeel in de Gemeenschap in de handel brengt.
4. De lidstaten mogen het in de handel brengen en/of in gebruik nemen van:
* binnenboordmotoren-en hekmotoren zonder geïntegreerde uitlaat,
* motoren met typegoedkeuring volgens Richtlijn 97/68/EG (*) die aan de in punt 4.2.3 van bijlage I van die richtlijn bedoelde fase II voldoen, en
* motoren met typegoedkeuring volgens Richtlijn 88/77/ EEG (**), niet verbieden, beperken of belemmeren, wanneer de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde in overeenstemming met bijlage XV, punt 3, verklaart dat de motor aan de voorschriften voor uitlaatemissies van deze richtlijn zal voldoen als hij volgens de bijgevoegde instructies van de fabrikant in een pleziervaartuig of waterscooter wordt gemonteerd.
5. De lidstaten verhinderen niet dat in artikel 1, lid 1, bedoelde producten die niet met de richtlijn in overeenstemming zijn, op beurzen, tentoonstellingen en demonstraties worden getoond, mits met een zichtbaar teken duidelijk is aangegeven dat deze producten noch in de handel kunnen worden gebracht noch in bedrijf kunnen worden gesteld voordat zij met de richtlijn in overeenstemming zijn gebracht.
6. Wanneer producten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderworpen zijn aan andere richtlijnen die andere aspecten betreffen en in het aanbrengen van de CE-markering voorzien, dan geeft de CE-markering aan dat de betrokken producten geacht worden in overeenstemming te zijn met de bepalingen van die andere richtlijnen. De CE-markering staat voor overeenstemming met de toepasselijke richtlijnen of relevante onderdelen daarvan. In dit geval moeten de verwijzingen naar de door de fabrikant toegepaste richtlijnen, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, worden opgenomen in de door de richtlijn voorgeschreven documenten, conformiteitsverklaring of instructies die de betrokken producten vergezellen.
(*) Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 59 van 27.2.1998,
blz. 1). Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2001/63/EG van de Commissie (PB L 227 van 23.8.2001, blz. 41).
(**) Richtlijn 88/77/EEG van de Raad van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PB L 36 van 9.2.1988, blz. 33). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/27/EG van de Commissie (PB L 107 van 18.4.2001, blz. 10).”;
Artikel 5
De Lid-Staten gaan ervan uit dat aan de in artikel 3 bedoelde essentiële eisen is voldaan door in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten die in overeenstemming zijn met de desbetreffende nationale normen ter uitvoering van de geharmoniseerde normen waarvan de referentienummers zijn bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen; de Lid-Staten publiceren de referentienummers van deze nationale normen.
Artikel 6
1. Wanneer een Lid-Staat of de Commissie van mening is dat de in artikel 5 bedoelde geharmoniseerde normen niet geheel voldoen aan de in artikel 3 bedoelde essentiële eisen, legt de Commissie of de Lid-Staat de kwestie, met een toelichting, voor aan het bij Richtlijn 83/189/EEG ingestelde Comité. Het Comité brengt met spoed advies uit.
Afhankelijk van het advies van het Comité deelt de Commissie de Lid-Staten mede of de betrokken normen al dan niet uit de in artikel 5 bedoelde bekendmakingen moeten worden verwijderd.
2. De Commissie kan volgens de procedure van lid 3 alle dienstige maatregelen nemen ten einde de eenvormige praktische toepassing van deze richtlijn te verzekeren.
3. De Commissie wordt bijgestaan door een Permanent Comité, dat is samengesteld uit door de Lid-Staten aangewezen vertegenwoordigers en dat door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt voorgezeten.
Het Permanent Comité stelt zijn reglement van orde vast.
De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Permanent Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Permanent Comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen al naar gelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.
Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere Lid-Staat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen.
De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het Permanent Comité uitgebrachte advies. Zij brengt het Permanent Comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.
4. Het Permanent Comité kan ook ieder vraagstuk betreffende de toepassing van deze richtlijn onderzoeken dat hem door zijn voorzitter, op diens initiatief of op initiatief van een Lid-Staat, wordt voorgelegd.
Artikel 6 bis
Comitéprocedure
1. De wijzigingen in de voorschriften van bijlage I, punten B.2 en C.1, die nodig zijn in het licht van de ontwikkeling van wetenschap en techniek, uitgezonderd directe of indirecte wijzigingen in de uitlaat-of geluidsemissiewaarden en het getal van Froude en de verhouding vermogen/waterverplaatsing, worden vastgesteld door de Commissie, die wordt bijgestaan door het krachtens artikel 6, lid 3, ingestelde permanente comité, dat volgens de in lid 2 bedoelde procedure als regelgevend comité optreedt. Tot de te behandelen vraagstukken behoren de referentiebrandstoffen en de voor de bepaling van uitlaat-en geluidsemissies te hanteren normen.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG genoemde termijn bedraagt drie maanden.
3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.”;
Artikel 7
Vrijwaringsclausule
1. Wanneer een lidstaat vaststelt dat producten die onder het toepassingsgebied van artikel 1 vallen en van de in bijlage IV bedoelde CE-markering zijn voorzien, op de juiste wijze ontworpen, geconstrueerd, in voorkomend geval gemonteerd, onderhouden en gebruikt overeenkomstig hun gebruiksdoel, gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van personen, eigendom of het milieu, neemt hij de nodige voorlopige maatregelen om die producten uit de handel te nemen of om het in de handel brengen en/of het in gebruik nemen daarvan te verbieden dan wel te beperken.;
De Lid-Staat stelt de Commissie onmiddellijk van deze maatregel in kennis onder opgave van de redenen voor dit besluit, met name of de niet-overeenstemming voortvloeit uit:
a) het niet beantwoorden aan de in artikel 3 bedoelde essentiële eisen;
b) een verkeerde toepassing van de in artikel 5 bedoelde normen, voor zover wordt gesteld dat die zijn toegepast;
c) leemten in de in artikel 5 bedoelde normen zelf.
2. De Commissie treedt zo spoedig mogelijk met de betrokken partijen in overleg. Wanneer de Commissie na dit overleg vaststelt:
- dat de maatregel gerechtvaardigd is, deelt zij dit onverwijld mede aan de Lid-Staat die de maatregel heeft getroffen en aan de overige Lid-Staten. Wanneer het in lid 1 bedoelde besluit het gevolg is van een leemte in de normen, legt de Commissie, indien de Lid-Staat die het besluit heeft genomen dit wil handhaven, de kwestie na overleg met de betrokken partijen binnen twee maanden voor aan het in artikel 6, lid 1, bedoelde Comité en leidt zij de in artikel 6, lid 1, bedoelde procedure in;
- dat de maatregel niet gerechtvaardigd is, stelt zij de Lid-Staat die de maatregel heeft genomen, alsook de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, daarvan onmiddellijk in kennis.
3. Wanneer een niet-overeenstemmend product als bedoeld in artikel 1 van de CE-markering is voorzien, neemt de lidstaat die bevoegd is ten aanzien van degene die de markering heeft aangebracht, de nodige maatregelen; hij stelt de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis.;
4. De Commissie zorgt ervoor dat de Lid-Staten op de hoogte worden gehouden van het verloop en de resultaten van de procedure.

